De dieren

Het everzwijn

Een everzwijn van het Wildpark

Als voorvader van ons varken is het everzwijn zeer verspreid in onze bosrijke heuvels. Zijn maaltijden als alleseter bestaan uit kleine diertjes, eikels, beukenootjes, gras, insekten, enz. Zijn verblijfplaats situeert zich tussen struikgewas en dicht kreupelhout. De mannetjes wegen soms wel 160 kg. De onderste hoektanden, de slagtanden en de bovenste hoektanden vormen zeer gevaarlijke wapens. Het lichaam is bedekt met haar, "zijde" genoemd.

Tijdens de paartijd, van november tot januari, leveren de mannetjes hevige gevechten. De everzeug baart over het algemeen tijdens de lente 3 tot 5 everjongen. Toch gebeurt het regelmatig dat zij bij het begin van de herfst een tweede keer jongt. Dit is voor een deel te wijten aan haar eigen dracht die 3 maanden, 3 weken en 3 dagen bedraagt, net zoals bij het zwijn. Ze verstopt haar jongen in het struikgewas om ze te beschermen tegen haar soortgenoten en kan zich erg agressief tonen uit verdediging. Het zogen duurt 4 maanden, maar reeds na 15 dagen leren ze al woelen in de grond met hun snuit. De vacht van de jongen vertoont lichte en donkere strepen. Rond 6 maand wordt deze één-kleurig en draagt het jonge dier de naam  "ros beest". Na een jaar verdonkert de vacht. Het everzwijn leeft in groep "compagnie" genoemd, meestal door het vrouwtje geleid. De oude mannetjes leven meestal afgezonderd. Weinig haardgebonden, legt het zwijn zowel overdag als 's nachts, reusachtige afstanden af, op zoek naar eten, wat leidt tot enorme schade aan de begroeiing.

Le marcassin

Op de heuvel van Boine is de grond omgewoeld : een werk van al deze pootjes en snuiten die de grond besnuffelen. Een beetje verder tijdens ons bezoek bemerken we een modderbad, een grote modderige poel waar het everzwijn in rondspartelt om zich te verfrissen en zich van ongedierte te ontdoen. Het zwijn is ongewoon sterk en zeer lenig; zijn reukorgaan is goed ontwikkeld, zijn zicht middelmatig. Dankzij zijn kracht werd het everzwijn het symbool van de Ardennen ! Zijn verblijfplaats en het aantal moeten regelmatig gecontroleerd worden, te wijten aan de vruchtbaarheid van dit ras en de omvangrijkheid van de schade die aan de oogst berokkend wordt.